Poems

 

 

LIJSTER

 

 

Luister loerde lijster

bijster baarde zorgen

 

hier de ronkende katten van de kannemelkenmorgen,

slopen ze langs sloten van de paardeweideroute

 

briesend roste manen wapp’ ren

’t hooi doorheen hun hoeven

 

hoe ver gaan de passen

hoe lang de heuvel af…

 

listig blijde lijster

waai op zoals de veulens in de blinsterzonse draf

 

 

DE GEBOORTE

 

Aldus heb ik vernomen

 

Eerst was er liefde...

 

Liefde was diepzinnig , subtiel en onbegrensd

en uit de onbegrensdheid van de liefde kwam schoonheid voort...

 

Schoonheid was als verstild water ;

Reflectief en transparant

 

Alsook had zij de mogelijkheid uit te kristalliseren tot

de meest complexe vormen en wist zij steeds haar eenvoud te bewaren.

 

 

Het was op een onbepaald moment dat schoonheid bewust werd van zichzelf,

zich broos en kwetsbaar voelde...

en jaloers werd op de onbegrensdheid van de liefde.

 

 

Zo werd zij sensueel van aard en verleidde kennis ertoe

om een kooi te smeden voor de liefde

 

...

 

De tijd was geboren

 

Alleen geduld weet hoeveel tijd er nog rest voor de

liefde teruggegeven wordt aan de waarheid

 

 

 

OCHTENDGLORIE

 

stel je voor

 

een nacht ,

 

in zeven werelden zo wijd

 

die glanzend in haar vacht

het hemelwerk berijdt

 

Zo zuiver is ze heen uit heldren dag vertrokken

om de gouden zonnespinnen uit hun regenweb te lokken

 

Soms is het eens dat gloeiend blauw in een dromendracht verschijnt

waar een bladerhand haar nerven tot de horizon verfijnt

 

Als stille raven zit de mens

tot de schaduw van een veld

in de ochtend van haar flanken uit een oud verhaal verveld

 

Daar zijn ons nieuwe vederen

als vleugels van het licht

die zich uit de roeste teugels van het denken heeft ontwricht

 

De dag heeft op de nacht gebroed

een vrucht die is nabij

van het kind die in de sterren ziet

 

de hemel ,

 

dat zijn wij

 

 

MEERMIN

 

 

Haar hart schuurt langs de kusten

En ‘ t klopt voor wie haar binnenlaat

 

Op een bed van fijngevlochten algen

treurt zacht een meermin

die de liefde haat

 

“ Hij nam mij mee “

 

haar stem , die beeft

 

al tussen duingras naar glazen dorpen met grote open ramen

waar de liefde en de adem samenleeft

 

’t was als een meer vol liefkozingen

waar ons lichamen leken op te gaan in één grote rimpeling

 

Woest , alsof het een oceaan betrof ,

zette hij zijn golfbeweging voort

en trachtte de helderheid van het nachtelijk uitspansel

in zijn hellende hals met aanzuigende greep mee te trekken

en uit te storten op beloftevolle stranden

 

De immensiteit van sterren glinsterde op het milde geruis van schelpen

 

' t Was de lust die al smeulend zijn sierlijke vlammen

tot een ingetogen boeket hield

om in een flits de kromming van het oog aan te strijken

en het spectrum van

zijn Eeuwigheid te tonen in de wonderbaarlijkheid van kleuren

 

En nu , doorheen een sluier van oplaaiende liefdesdampen

toont zich een verouderd paradijs

waar lippen als gelakte appelen langzaam de taal herstellen

onder de horizon van hun geslepen glans

en met vreemde ijle verlokking weg ebben

in mijn nog dorstig, door zout beneveld hart

 

Haar hart schuurt langs de kusten

En ‘ t klopt voor wie haar binnenlaat

 

Op een bed van fijngevlochten algen

treurt zacht een meermin

die de liefde haat

 

Kasper Baele • baele.kasper@gmail.com • 0473 26 10 77